Ben je thuis?

Vanmiddag ben ik nog eens bij mijn broer geweest. 
Niets zo goed als eens even in het gras zitten bij het graf van iemand met wie je bent opgegroeid. Er ligt een mooie steen op, dat heb ik altijd al gevonden. ’t Is nu vier jaar later en er zijn schier ontelbare andere graven bijgekomen (kottekes met pottekes noem ik ze in gedachten) maar hij heeft echtwaar de mooiste steen.
Hoewel ik hem te weinig bezoek – een miljard keer minder dan ik zou willen – toch kom ik er graag. ’t Is net alsof hij een beetje minder weg is, als ik vlak bij ben.

Ik zat op mijn hurken, staarde door de rook van mijn sigaret naar zijn naam en de letters 1961-2001 en mompelde godverdomme. Vervolgens klopte ik eens op zijn kotteke. Het klonk een heel klein beetje hol. Ben je thuis? vroeg ik in gedachten. Daarna vertelde ik hem hoe het met mijn leven staat, stelde hem heel veel vragen en wachtte gespannen op het antwoord. Het bleef stil. Wellicht hoort hij niet zo goed meer, met die steen boven hem, bedacht ik. Misschien deed hij een middagdutje of luisterde hij naar de Cranberries, wie zal het zeggen?

Ben je gek als je ben je thuis? vraagt aan iemand die je al vier jaar mist en die nog een eeuwigheid zal zwijgen? Naar alle waarschijnlijkheid wel, maar ik blijf wachten op een antwoord, al moet ik nog een eeuwigheid hopen.

Er was ook leven vòòr de radio

Herman Brusselmans en ik

And now for something completely different.
Ik heb in mijn leven nog wel wat anders gedaan dan enkel radio. Er is niet alleen leven na de radio, er was zelfs leven voor de radio.
Het was 1974 of 75, dat wil ik kwijt zijn. En ik speelde basgitaar in een popgroepje. Dat noemden we toen zo, nu heet dat een project. Ik zat in het laatste jaar van de middelbare school in de Broedersschool in Hamme. Leo De Ridder speelde sologitaar en de drums werden beslagen door Herman Brusselmans, mijn toenmalige beste vriend. Ik had een knalrode Fender gekocht en een tweedehands versterker. Die had ik eerst bij me thuis gezet, op zolder. Toen ik er voor het eerst mijn gitaar op aansloot, zette ik de volumeknop volledig open en vol verwachting speelde ik mijn eerste riffje, het begin van Smoke on the Water. Het gevolg was een gescheurd plafond en mijn vader die het aan zijn hart kreeg, een kwarteeuw voor hij het echt aan zijn hart zou krijgen.

Vervolgens besloten we dan maar te gaan repeteren in de koeiestal bij Herman thuis, daar zouden alleen de koeien last hebben van ons. Het groepje kreeg de schitterende naam Assimtoot en volgens mij hebben we het een maand of twee volgehouden. Al die tijd waren we driftig op zoek naar een zangeres die we nooit vonden. We hadden een ongelooflijk beperkt repertoire met FBI van de Shadows als enige nummer. Voor de rest speelden we enkel improvisaties, vooral blues. Ik heb nog een opname van één van onze repetities met daarop een uitgesponnen improvisatie, waarbij Herman en ik een halfuur lang een solide ritmesectie vormden en Leo zijn gang kon gaan met zijn sologitaar.

Nathalie Meskens, ik, Herman Brusselmans, Leo De Ridder (c) VTM/De Mensen

Uiteindelijk splitte de groep omdat Leo het niet meer zag zitten, en Herman en ik konden moeilijk met ons tweetjes verder gaan zonder sologitarist en zonder zangeres. Na onze humaniora verloor ik Leo uit het oog. Nooit meer gezien, zoals dat in het leven gaat. Met Herman ging ik Germaanse volgen in Gent. Een jaar lang bijna kwam hij met zijn brommerke om 6.15 tot bij mij en dan gingen we met bus en trein naar Gent. Uit 1975, een scharnierjaar in ons beider leven, komt de foto die hier linksboven staat en die ik nog teruggevonden heb op zolder. Tjonge, was ik toen echt achttien? De bril die ik droeg, heb ik nooit meer kunnen evenaren. Het gevoel van optimisme en van alles kan en alles is mogelijk ook niet meer.

Gisteren kreeg ik een mailtje van Maarten, mijn neef. Maarten is bijna 18 en hij speelt echtwaar basgitaar in een project. Hij doet het een miljoen keer beter dan ik het ooit deed, want hij speelt ook nog akoestische gitaar èn hij zingt en schrijft zijn eigen songs. Dedju, ik heb hem nog op schoot gehad toen hij een peuter was en zijn vader onder de naam Marcel Couperus in mijn studiootje thuis een item kwam opnemen voor mijn ochtendprogramma dat syndicated verspreid werd via een twintigtal lokale radio’s. Ik vond het toen onvoorstelbaar dat mijn kleine broer een zoontje had. Dat zoontje heeft nog niet eens twee decennia later een eigen website waar je enkele songs van hem kan downloaden (reken maar dat ik dat gedaan heb!) en foto’s van hem kan bekijken.

Op enkele weken na is het drie jaar geleden dat mijn leven enigszins kantelde, net als dat van Maarten en een handvol andere mensen die ik graag zie. Zo te zien, stelt mijn neefje het goed en staat hij weer zo overeind als mogelijk is. En hij doet dingen waarop Marcel Couperus trots zou zijn.