Ben je thuis?

Vanmiddag ben ik nog eens bij mijn broer geweest. 
Niets zo goed als eens even in het gras zitten bij het graf van iemand met wie je bent opgegroeid. Er ligt een mooie steen op, dat heb ik altijd al gevonden. ’t Is nu vier jaar later en er zijn schier ontelbare andere graven bijgekomen (kottekes met pottekes noem ik ze in gedachten) maar hij heeft echtwaar de mooiste steen.
Hoewel ik hem te weinig bezoek – een miljard keer minder dan ik zou willen – toch kom ik er graag. ’t Is net alsof hij een beetje minder weg is, als ik vlak bij ben.

Ik zat op mijn hurken, staarde door de rook van mijn sigaret naar zijn naam en de letters 1961-2001 en mompelde godverdomme. Vervolgens klopte ik eens op zijn kotteke. Het klonk een heel klein beetje hol. Ben je thuis? vroeg ik in gedachten. Daarna vertelde ik hem hoe het met mijn leven staat, stelde hem heel veel vragen en wachtte gespannen op het antwoord. Het bleef stil. Wellicht hoort hij niet zo goed meer, met die steen boven hem, bedacht ik. Misschien deed hij een middagdutje of luisterde hij naar de Cranberries, wie zal het zeggen?

Ben je gek als je ben je thuis? vraagt aan iemand die je al vier jaar mist en die nog een eeuwigheid zal zwijgen? Naar alle waarschijnlijkheid wel, maar ik blijf wachten op een antwoord, al moet ik nog een eeuwigheid hopen.

Radio Pekbaans Popjournaal

Radio Pekbaans Popjournaal, 1973

Tijd voor een gratis en door mezelf georganiseerd rondje lachen met Ben.
Ik schrijf deze woorden op mijn Travelmaatje in de tuin van mijn tijdelijke Franse maison. Of gîte, zoals ze het hier ook wel noemen, geloof ik. Waarom zeggen die Fransen niet gewoon huis zoals iedereen? Doch dit geheel terzijde, zoals mijn ex-beste vriend Herman B. het zo treffend zou zeggen.

Ter verdere sfeerschepping: mijn Franse buurman zit hier vlak bij mij. Hij is naar eigen zeggen een vampierenstok met vlijmscherpe punt aan ’t maken omdat hij vannacht vreemde geluiden hoorde in het huis. “Die stok moet verdomme voor vannacht klaar zijn,” gromt hij (in het Frans, uiteraard) terwijl hij met zijn Zwitsers mes aan de gang gaat.

Een jaar of 15 moet ik geweest zijn toen ik mezelf officieel het statuut van voorzitter van de Belgische Osmonds Fanclub toeëigende. Dat was niet zo moeilijk, ik had die club namelijk zelf opgericht. The Osmonds, beste vrienden, waren een muzikaal familiegroepje dat in de vroege jaren zeventig ongelooflijk veel wereldsucces had bij het tienervolkje van die dagen. Ze waren populairder dan The Jackson 5 en David Cassidy samen. Vooral de bijna jongste van de bende, Donny Osmond, zorgde overal ter wereld voor hysterische taferelen. Waarom ik die fanclub oprichtte? Vraag me niet waarom, zoals Yasmine het zo treffend zou zeggen. Ik hoorde hun muziek wel graag, veronderstel ik. Mijn toenmalige klasgenootjes begrepen er niets van en konden er hoogstens eens hartelijk om lachen. Het was natuurlijk totaal niet in bij jongens van mijn leeftijd om van die muziek te houden, dat was enkel iets voor meisjes. Ik zat op de Broederschool in Hamme, moet je rekenen. Daar zaten toen nog enkel jongens en we hadden niets te maken met de meisjes van de Sint-Jozefschool

Maar soit, het zou mij (toen al) worst wezen wat de anderen dachten over wat ik graag hoorde of niet. Ik besloot dus een fanclub voor de Osmonds op te richten op mijn eentje. In diezelfde periode had ik ook een schoolblaadje gesticht onder de ongelooflijke titel Radio Pekbaans Popjournaal of kortweg RPP. Dat schreef ik elke week vol, met de hulp van Herman BrusselmansLeo De RidderDirk De Neve en nog enkele anderen. Zelf was ik hoofdredacteur, dat spreekt voor zich. Wat die titel betreft: ik was toen al redelijk gefascineerd door de zeezenders en Veronica had een popjournaal, vandaar. Plus daarbij, de straat waar ik toen woonde (de Groeneboomgaardstraat in Hamme) was sinds kort voorzien van een gloednieuw en modern wegdek, de pekbaan lag voor de hand.

Wat ik eigenlijk wilde zeggen: ik was het dus al gewend om een wekelijks magazine vol te schrijven en op een aantal exemplaren te verspreiden. Osmond News, zoals ik het blaadje van de fanclub noemde, stuurde ik elke maand op naar de leden van de club. Ik had geadverteerd in de Joepie en ik vroeg 50 Belgische frank per jaar als lidgeld. Een stuk of duizend jonge meisjes werden lid van mijn club, dus ik had redelijk snel 50.000 ballen verdiend als jonge snotneus. Ik drukte het magazine gratis op de stencilmachine van school, met dank aan broeder Emiel die mij daarvoor de toelating gaf. En elke maand trok ik met een paar grote zakken volgepropt met drukwerk naar de post. De artikels in het magazine schreef ik zelf, ik vertaalde ze uit enkele Britse en Amerikaanse tijdschriften die ik bestelde bij mijn gazettenman waar ik ook de Joepie haalde.

(c) Peter Maenhoudt

Ik kreeg ook verdomd veel brieven van jonge meisjes (ze waren natuurlijk van mijn eigen leeftijd toen, en waarschijnlijk allemaal op middelbare leeftijd nu) die dachten dat ik de Osmonds persoonlijk kende. Er was er zo eentje waarmee ik op den duur, en buiten de fanclub om, persoonlijker begon te corresponderen. Ze woonde in Oostende en ik vond haar best tof. Op een dag stond in de krant een artikel over haar. Ze was van het Europagebouw in Oostende gevallen. Of gesprongen, daarover bestond blijkbaar twijfel.


In die dagen was ik 15. Jong, onbezonnen, vol van de toekomst, en redelijk onder de indruk van het voortijdig beëindigde leven van een meisje waar ik wel wat voor voelde, al had ik haar nog nooit ontmoet. Het betekende ook het einde van de Belgische Osmonds Fanclub. Weer iets dat voorgoed voorbij was.

En nu ga ik wat vertoeven dans le piscine, zoals de Fransen hier om onbegrijpelijke redenen zeggen. Waarom zeggen ze niet gewoon zwembad, zoals iedereen?

Zomaar een zondag

Huppekee, daar zat ik dan midden in een communiefeest.
Ik ben niet echt een feestganger. Nee, ik kan niet zeggen dat socializen wreed vooraan in mijn eigen woordenboekje staat, maar sommige mensen krijgen mij wel uit mijn kot. 

Afgelopen zondag was het dan toch prijs, en de dochter van mijn goeie vriend Marc was het feestvarken. Marc’s echtgenote bezwoer mij tijdens de koffie achteraf om niet uit de biecht te klappen en niet te veel privé bloot te geven en zo, dus ik zal haar in codetaal S.A. noemen en de dochter noem ik T.. De jongste dochter van Marc en S.A. heet L. en volgens aanwezige deskundigen lijkt ze als een miljoen druppels water op haar papa. Whatever. Ik zweer het, ik zie dat nooit bij een baby. Maar L. is lief, zoveel is zeker. En ze heeft op mijn schoot gezeten zodat ik haar over 25 jaar (op haar trouwfeest of zo) zo goed als zeker zal toefluisteren: “Weet je dat je nog op mijn schoot gezeten hebt, L.?” en ze zal eens vertederd glimlachen en zich verbazen over wat ouwe grijsaards toch allemaal onthouden.

Aanwezig waren ook een dertigtal familieleden en vrienden van Marc en S.A., waaronder de sympathieke E.W., gitarist bij de bekende muziekgroep De K.

Het werd een fijne zondag met mooi weer, een volledig pakje Marlboro en lekker eten. Verder herinner ik me mezelf rijdend op een kinderfietsje, en een kort maar krachtig bezoek aan het sleutelbeen van een lang overleden heilige. En dan zwijg ik nog over ik zelf, geheel verzonken in een verbazend intelligente conversatie met V., het zoontje van E.W. over ons aller favoriete spel Gran Turismo 4. Nogal redelijk hallucinant was verder het beeld van de gitarist die ook zo’n kinderfietsje moest proberen. Kortom, diverse indrukken teisterden mijn netvlies zondagmiddag maar het was aangenaam om nog eens onder de mensen te vertoeven.

En T. heeft haar nieuwe gitaar, vertelde Marc mij vandaag op het werk. Blij dat ik daar mijn bescheiden bijdrage aan heb kunnen leveren. Over 25 jaar zal T. op het trouwfeest van haar jongste zus aanwezig zijn en ze zal daar de aanwezigen vergasten op een gesmaakte akoestische versie van Summer Of 69 want die zal ik dan aanvragen. 

Er was ook leven vòòr de radio

Herman Brusselmans en ik

And now for something completely different.
Ik heb in mijn leven nog wel wat anders gedaan dan enkel radio. Er is niet alleen leven na de radio, er was zelfs leven voor de radio.
Het was 1974 of 75, dat wil ik kwijt zijn. En ik speelde basgitaar in een popgroepje. Dat noemden we toen zo, nu heet dat een project. Ik zat in het laatste jaar van de middelbare school in de Broedersschool in Hamme. Leo De Ridder speelde sologitaar en de drums werden beslagen door Herman Brusselmans, mijn toenmalige beste vriend. Ik had een knalrode Fender gekocht en een tweedehands versterker. Die had ik eerst bij me thuis gezet, op zolder. Toen ik er voor het eerst mijn gitaar op aansloot, zette ik de volumeknop volledig open en vol verwachting speelde ik mijn eerste riffje, het begin van Smoke on the Water. Het gevolg was een gescheurd plafond en mijn vader die het aan zijn hart kreeg, een kwarteeuw voor hij het echt aan zijn hart zou krijgen.

Vervolgens besloten we dan maar te gaan repeteren in de koeiestal bij Herman thuis, daar zouden alleen de koeien last hebben van ons. Het groepje kreeg de schitterende naam Assimtoot en volgens mij hebben we het een maand of twee volgehouden. Al die tijd waren we driftig op zoek naar een zangeres die we nooit vonden. We hadden een ongelooflijk beperkt repertoire met FBI van de Shadows als enige nummer. Voor de rest speelden we enkel improvisaties, vooral blues. Ik heb nog een opname van één van onze repetities met daarop een uitgesponnen improvisatie, waarbij Herman en ik een halfuur lang een solide ritmesectie vormden en Leo zijn gang kon gaan met zijn sologitaar.

Nathalie Meskens, ik, Herman Brusselmans, Leo De Ridder (c) VTM/De Mensen

Uiteindelijk splitte de groep omdat Leo het niet meer zag zitten, en Herman en ik konden moeilijk met ons tweetjes verder gaan zonder sologitarist en zonder zangeres. Na onze humaniora verloor ik Leo uit het oog. Nooit meer gezien, zoals dat in het leven gaat. Met Herman ging ik Germaanse volgen in Gent. Een jaar lang bijna kwam hij met zijn brommerke om 6.15 tot bij mij en dan gingen we met bus en trein naar Gent. Uit 1975, een scharnierjaar in ons beider leven, komt de foto die hier linksboven staat en die ik nog teruggevonden heb op zolder. Tjonge, was ik toen echt achttien? De bril die ik droeg, heb ik nooit meer kunnen evenaren. Het gevoel van optimisme en van alles kan en alles is mogelijk ook niet meer.

Gisteren kreeg ik een mailtje van Maarten, mijn neef. Maarten is bijna 18 en hij speelt echtwaar basgitaar in een project. Hij doet het een miljoen keer beter dan ik het ooit deed, want hij speelt ook nog akoestische gitaar èn hij zingt en schrijft zijn eigen songs. Dedju, ik heb hem nog op schoot gehad toen hij een peuter was en zijn vader onder de naam Marcel Couperus in mijn studiootje thuis een item kwam opnemen voor mijn ochtendprogramma dat syndicated verspreid werd via een twintigtal lokale radio’s. Ik vond het toen onvoorstelbaar dat mijn kleine broer een zoontje had. Dat zoontje heeft nog niet eens twee decennia later een eigen website waar je enkele songs van hem kan downloaden (reken maar dat ik dat gedaan heb!) en foto’s van hem kan bekijken.

Op enkele weken na is het drie jaar geleden dat mijn leven enigszins kantelde, net als dat van Maarten en een handvol andere mensen die ik graag zie. Zo te zien, stelt mijn neefje het goed en staat hij weer zo overeind als mogelijk is. En hij doet dingen waarop Marcel Couperus trots zou zijn.