Een piraat voor de klas

Mijn vakantie is begonnen.
Althans, vandaag was mijn laatste werkdag en zondag stap ik het vliegtuig op in de hoop dat er geen enkel vijske ontbreekt. Uiteraard zal mijn Travelmate zijn naam weer alle eer aan doen en mij vergezellen naar het zuiden en op die manier zullen mijn bijdragen aan dit weblog jullie op regelmatige basis bereiken. Eerst morgen nog op de barbecue bij vrienden want ze hebben nog wat zomer voorspeld op de tv.

Marc Hermans reageerde vanmorgen op het werk niet geheel onverdeeld gelukkig op mijn bijdrage van gisteren, over mijn jubileum op het fijne kabelbedrijf. ‘Ik werk hier op 16 september al àcht jaar,’ mompelde hij een beetje nukkig,‘en ik heb geen eigen weblog waar ik dat kan vertellen!’ 
Welnu, bij deze is dat meteen ook rechtgezet, beste vrienden. Inderdaad, Marc is nog meer ancien dan ik op het bedrijf. Volgens mij houdt hij het makkelijk uit tot zijn pensioen. 

En ook Jan, de heel aardige jongeman uit Antwerpen (die van de trainingen, weetjewel) had een opmerking. Hij vond het leuk dat ik hem eens vernoemde, maar superpositief was het toch niet, gromde hij. Ok, no problem. Vanmorgen moesten Marc en ik naar alweer een nieuwe training in Mechelen, want we worden regelmatig bijgeschoold natuurlijk. De training werd gegeven door Jan, een ongeloofljk sympathieke kerel uit het Antwerpse, die met een onvoorstelbaar charisma en een hoge dosis talent een groep van twintig advisors de nieuwste ontwikkelingen bijbracht. Jan is mijn favoriete trainer op het werk. Ik bewonder zijn gedrevenheid, zijn pedagogisch doorzicht en de humoristische manier waarop hij de meest ingewikkelde materie mateloos eenvoudig kan laten lijken. Zo, dat is al positiever, hoop ik.

Nee serieus, ik overdrijf dan wellicht een beetje, maar hij is echt goed. Een beetje zoals ik was in mijn lerarentijd. Ja, zonder zever: je zal mij nooit horen verkondigen dat ik een fantastische radiopresentator geweest ben, maar ik was wèl een hele goeie leraar in mijn tijd, ook al heb ik die job maar enkele maanden uitgeoefend in 1979. Ja, dat was ook wel raar. In de zomer van dat jaar zat ik als piraat op een zendschip, en een dikke maand later stond ik verdorie les te geven aan een bende jonge gasten ergens in Temse. ‘Bent u een platenruiter, meneer?’ vroeg er toen eentje, ‘ik herken precies uw stem’. Jaja, en op mijn boekentas kleefde een sticker van Mi Amigo, dat zal ook wel meegespeeld hebben. Waar zouden diè jongens en meisjes zitten tegenwoordig? Ze waren toen zestien ongeveer, dus dat maakt hen nu veertigers. Niet te veel over nadenken. 

Deed ik dat graag, lesgeven? Euh.. ja, ik deed dat heel graag. En de kans is groot dat ik ergens in een alternatieve realiteit nièt op de radio ben verder gegaan en nog altijd leraar ben. Je moet rekenen dat ik enkel bij Maeva terecht ben gekomen doordat ik op het laatste nippertje èn op het juiste ogenblik werd afgekeurd voor mijn legerdienst. ’t Zit allemaal raar in elkaar, het leven van een mens. Het één leidt naar het andere, en alles grijpt in elkaar.

Maar voor ik te filosofiek word, snel een blik op Thuis werpen, waar dat gedoe met Véronique en de verkrachter eindeloos blijft doorgaan. En daarna eens zappen naar X-Factor want daar kan een mens tenminste nog eens mee lachen, dankzij de eveneens eindeloze optocht van talentlozen die dat van zichzelf niet weten en dat ook nooit zùllen weten, in geen enkele alternatieve realiteit.

Patrick Valain op de stoel

Ben van Praag, begin jaren 80

Heb je dat ook? Als je Frank Deboosere bezig hoort in het radionieuws over de voorbije zomer die zeer abnormaal warm was, dat je dan verbaasd naar je radio kijkt en Deboosere met een welgemikte trap onder de kont het zwijgen wil opleggen? Zeer abnormaal warm, my ass. Enfin, niks om je druk over te maken natuurlijk, maar wat mij betreft lucht het op als ik me visueel voorstel dat ik Deboosere zo’n behandeling kan geven.

Ik zou in mijn tuin willen gaan zitten, maar het regent in Waasmunster. Binnen blijven en beetje US Open kijken dan maar. En ondertussen de reactie van Jo Van Daele lezen waarin hij het heeft over een Maeva-foto die ik een jaar geleden of zo op dit weblog plaatste. ’t Gaat om een foto van tijdens een Maeva-driveinshow in Peizegem of Putte. Ik zit daar op de schouders van Bruno van de technische ploeg en ik herinner me dat soort toestanden nog wonderwel. De show werd toen vooral gemaakt door Bruno en zijn makkers, niet zozeer door mij, ook al stond mijn naam op de affiche. Ik hoop dat Jo eens de groetjes doet aan Bruno en William.

Waar zouden die gasten uithangen tegenwoordig? Zouden ze nog iets met radio of muziek te maken hebben? Zouden hun wilde haren de eeuwwisseling overleefd hebben? Of is het met hen gegaan zoals in het liedje van Abba: and now you’re working in a bank.. the family man, the football fan, and your name is Harry
Geert heeft het leven nièt overleefd, lees ik. Dat is de miserie met die echo’s uit het verleden: dat je toch telkens weer moet horen dat mensen die er toen waren, er nu nièt meer zijn. Tja, over pakweg honderd jaar zijn we er allemaal niet meer, op enkele toekomstige eeuwelingen na die nu nog in de pampers liggen te bleiten.

Patrick Valain, 1984

Weet je wat ik doe, nu het toch regent?
Ik zet de volledige aflevering van Maeva’s Praatstoel online waarin Patrick Valain mijn gast was. Het programma werd uitgezonden tijdens de eenmalige Maeva-reünie in mei 2001 via de kabel op Radio Zeven. Het was een zeer uitzonderlijk gebeuren want Valain wilde eigenlijk totaal niet meer op de radio komen, maar deed het voor één keertje toch. Ik vond het mp3-bestand toevallig nog ergens op mijn harde schijf, ooit heb ik het gedownload van de site van Dick Verheul, waar nog heel wat leuke Mi Amigo-fragmenten te vinden zijn. Wie de volledige aflevering wil horen, dat kan hieronder.

Maeva’s Praatstoel met Patrick Valain – presentatie Ben van Praag – mei 2001

De grens van het geduld

Wat lees ik hier in de Humo?
Een interview met Tom Coninx, sportjournalist of zo bij één, waarin dit heerschap de volgende volstrekt ongeloofwaardige uitspraak doet: “Sinds februari vorig jaar, toen mijn contract bij Sporza inging, heb ik nog geen enkel loonbriefje opengemaakt. Ik weet echt niet wat ik verdien.”
Mocht u de heer Coninx tegenkomen, zeg hem dan met mijn groeten dat hij wat mij betreft aan de lopende band bullshit mag verkopen, maar liefst niet in mijn favoriete weekblad. Ik weet echt niet wat ik verdien. Komaan, Coninx. Een beetje serieus, graag. De rest van het interview heb ik niet meer gelezen wegens geen goesting meer.

Tegenwoordig kijk ik zelf elke week op mijn bankrekening om te zien wat ik nu weer niet kan betalen. De stand van mijn rekening valt redelijk tegen, moet ik zeggen. ’t Is mijn eigen schuld natuurlijk. Het fijne kabelbedrijf betaalt niet slecht, maar deeltijds werken vult de portemonne nu eenmaal niet zo lekker als voltijds. Hoe dan ook, Coninx: in het verleden heb ik bij een mooi aantal radiostations gewerkt, en geen enkele keer is het mij ontgaan wat op mijn loonbriefje of faktuur stond.

En nu we het toch over dit soort zaken hebben: ik ben weg bij Extra Gold. Verwacht van mij geen diepgaande verklaringen en maandenlange klaagzangen op de nieuwsgroep in verband daarmee, maar ik moest nu eenmaal een weblog beginnen vorig jaar, dus ik kan er hier niet echt omheen natuurlijk. Laten we het er op houden dat ik het motto van mijn goeie vriend Van Opstal eens in de praktijk heb gebracht. Geen flappen, niet klappen dus. Zelfs ik, anders toch wel de goedheid zelve als het op begrip en geduld aankomt, zelfs ik heb mijn grens. De grens van Rudi van Vlaanderen was al na een dikke maand bereikt, overigens. Laat je niet wijsmaken dat die met vakantie is. 

Radio, ik heb er voorlopig mijn buik van vol. Met al dat gezeik.

Het blinkende voorhoofd van DDB

“Amapola. Tahititi. Mr bok. Miss geit. Mr baby. Koelekoele. Tingeling boem boem. Yjing jang. Van nieuwe patatten krijgt ge het schijt.”
Vooreerst mijn verontschuldigingen voor het wellicht aanstootgevende taalgebruik, maar deze sms ontving ik gisteren op mijn GSM. De sms was afkomstig van Chris Van Opstal, een radiocollega die ik als een vriend beschouw ook al spreken we elkaar niet echt dagelijks. Toen ik de boodschap op het scherm van mijn Nokia 6600 zag verschijnen, barstte ik in lachen uit. Even later belde de heer Van Opstal in eigen persoon: “Hebt ge mijn sms gekregen? Lees mijn sms! Woehaaaaaaa!”

Ja, dàt is typisch Van Opstal. Typisch mij ook. We lagen allebei voor een paar minuten in een deuk. Voor de meeste mensen belachelijk waarschijnlijk, maar dat zal mij een zorg wezen. Chris en ik hebben in het verleden wel om meer dingen in een deuk gelegen waar de gemiddelde mens enkel eens om zou fronsen. Ooit (we zaten toen nog samen bij Family Radio en Radio Contact in het hoofdgebouw in Neder-over-Heembeek) konden we kweeniehoelang bulderend bezig zijn met een fantasie die we samen hadden uitgedacht. Rudy Dierckx en Danny Debruyn waren onze bazen in die dagen. We probeerden ons visueel voor te stellen hoe het zou zijn als Chris gewoon in het bureau van Danny zou binnenstappen en hem plompverloren een kus op het blinkende voorhoofd zou geven en zonder een woord opnieuw zou verdwijnen. Hihihihi. Meer moest dat niet zijn om ons urenlang bezig te houden. Een heel scenario ontspon zich vervolgens. Hoe Danny verbijsterd zou zitten kijken. Hoe hij Rudy zou bellen om te zeggen dat Van Opstal rààr deed. Hoe Rudy meteen Lemaire erbij zou halen. En hoe die dan zou grijnzen: “Maar dat ies toch niet raar, fiston!”. En hoe Lemaire dan Rudy ook een kus op het voorhoofd zou geven. Je reinste absurde flauwekul, ik weet het. Maar plezànt!

Radio Pekbaans Popjournaal

Radio Pekbaans Popjournaal, 1973

Tijd voor een gratis en door mezelf georganiseerd rondje lachen met Ben.
Ik schrijf deze woorden op mijn Travelmaatje in de tuin van mijn tijdelijke Franse maison. Of gîte, zoals ze het hier ook wel noemen, geloof ik. Waarom zeggen die Fransen niet gewoon huis zoals iedereen? Doch dit geheel terzijde, zoals mijn ex-beste vriend Herman B. het zo treffend zou zeggen.

Ter verdere sfeerschepping: mijn Franse buurman zit hier vlak bij mij. Hij is naar eigen zeggen een vampierenstok met vlijmscherpe punt aan ’t maken omdat hij vannacht vreemde geluiden hoorde in het huis. “Die stok moet verdomme voor vannacht klaar zijn,” gromt hij (in het Frans, uiteraard) terwijl hij met zijn Zwitsers mes aan de gang gaat.

Een jaar of 15 moet ik geweest zijn toen ik mezelf officieel het statuut van voorzitter van de Belgische Osmonds Fanclub toeëigende. Dat was niet zo moeilijk, ik had die club namelijk zelf opgericht. The Osmonds, beste vrienden, waren een muzikaal familiegroepje dat in de vroege jaren zeventig ongelooflijk veel wereldsucces had bij het tienervolkje van die dagen. Ze waren populairder dan The Jackson 5 en David Cassidy samen. Vooral de bijna jongste van de bende, Donny Osmond, zorgde overal ter wereld voor hysterische taferelen. Waarom ik die fanclub oprichtte? Vraag me niet waarom, zoals Yasmine het zo treffend zou zeggen. Ik hoorde hun muziek wel graag, veronderstel ik. Mijn toenmalige klasgenootjes begrepen er niets van en konden er hoogstens eens hartelijk om lachen. Het was natuurlijk totaal niet in bij jongens van mijn leeftijd om van die muziek te houden, dat was enkel iets voor meisjes. Ik zat op de Broederschool in Hamme, moet je rekenen. Daar zaten toen nog enkel jongens en we hadden niets te maken met de meisjes van de Sint-Jozefschool

Maar soit, het zou mij (toen al) worst wezen wat de anderen dachten over wat ik graag hoorde of niet. Ik besloot dus een fanclub voor de Osmonds op te richten op mijn eentje. In diezelfde periode had ik ook een schoolblaadje gesticht onder de ongelooflijke titel Radio Pekbaans Popjournaal of kortweg RPP. Dat schreef ik elke week vol, met de hulp van Herman BrusselmansLeo De RidderDirk De Neve en nog enkele anderen. Zelf was ik hoofdredacteur, dat spreekt voor zich. Wat die titel betreft: ik was toen al redelijk gefascineerd door de zeezenders en Veronica had een popjournaal, vandaar. Plus daarbij, de straat waar ik toen woonde (de Groeneboomgaardstraat in Hamme) was sinds kort voorzien van een gloednieuw en modern wegdek, de pekbaan lag voor de hand.

Wat ik eigenlijk wilde zeggen: ik was het dus al gewend om een wekelijks magazine vol te schrijven en op een aantal exemplaren te verspreiden. Osmond News, zoals ik het blaadje van de fanclub noemde, stuurde ik elke maand op naar de leden van de club. Ik had geadverteerd in de Joepie en ik vroeg 50 Belgische frank per jaar als lidgeld. Een stuk of duizend jonge meisjes werden lid van mijn club, dus ik had redelijk snel 50.000 ballen verdiend als jonge snotneus. Ik drukte het magazine gratis op de stencilmachine van school, met dank aan broeder Emiel die mij daarvoor de toelating gaf. En elke maand trok ik met een paar grote zakken volgepropt met drukwerk naar de post. De artikels in het magazine schreef ik zelf, ik vertaalde ze uit enkele Britse en Amerikaanse tijdschriften die ik bestelde bij mijn gazettenman waar ik ook de Joepie haalde.

(c) Peter Maenhoudt

Ik kreeg ook verdomd veel brieven van jonge meisjes (ze waren natuurlijk van mijn eigen leeftijd toen, en waarschijnlijk allemaal op middelbare leeftijd nu) die dachten dat ik de Osmonds persoonlijk kende. Er was er zo eentje waarmee ik op den duur, en buiten de fanclub om, persoonlijker begon te corresponderen. Ze woonde in Oostende en ik vond haar best tof. Op een dag stond in de krant een artikel over haar. Ze was van het Europagebouw in Oostende gevallen. Of gesprongen, daarover bestond blijkbaar twijfel.


In die dagen was ik 15. Jong, onbezonnen, vol van de toekomst, en redelijk onder de indruk van het voortijdig beëindigde leven van een meisje waar ik wel wat voor voelde, al had ik haar nog nooit ontmoet. Het betekende ook het einde van de Belgische Osmonds Fanclub. Weer iets dat voorgoed voorbij was.

En nu ga ik wat vertoeven dans le piscine, zoals de Fransen hier om onbegrijpelijke redenen zeggen. Waarom zeggen ze niet gewoon zwembad, zoals iedereen?

Trek de stekker uit, mensen!

Het dorpje heet Coudekerque. Ja, qua humoristische plaatsnaam kan dat tellen. Natuurlijk haalt hij het langs geen kanten van de meest debiele straatnaam die ik ken (de Vortekoestraat in Waasmunster) maar ik vind het toch al redelijk die richting uitgaan. Overigens, de naam van mijn eigen straat (die ik hier niet zal vermelden uiteraard) haalt op de schaal van debiliteit ook een vrij hoge score. Als ik ergens mijn adres moet geven, zeg ik er altijd bij: “Ik heb die naam ook niet zelf bedacht, hoor”. De meeste mensen kijken mij dan eens grijnzend aan, maar het ijs is meteen gebroken. Een niet te onderschatten voordeel voor een asociaal mens als ikzelf.

In Coudekerque, toch op zo’n dikke tien kilometer van de Belgische grens, kan ik Extra Gold ontvangen in de auto. Niet in dit schitterende huis want ik heb nog geen radiotoestel kunnen ontdekken, maar wel in de auto. Ron zal tevreden zijn als hij dit ontvangstrapport onder ogen krijgt. Oh ja, wat Extra Gold betreft, ik denk wel dat ik mag verklappen dat de maand juli een bijzondere maand wordt voor dat station. Zo rond de 18de, heb ik begrepen. Een naam ga ik nog niet noemen, maar ik ben heel blij dat één van mijn vroegere radiovrienden erbij komt en zo’n beetje het heft in handen mag nemen. 

Over het fijne kabelbedrijf moet ik ook nog wat zeggen. De onweders hebben lelijk huisgehouden in Vlaanderen en dat was voor ons op de klantendienst duidelijk te merken. Ik kan het hierbij niet duidelijk genoeg zeggen: TREK DE STEKKER UIT, MENSEN! De voorbije week heb ik enkele honderden mensen aan de lijn gehad die nooit de stekker van hun modem loskoppelen tijdens een onweer. Geween en tandengeknars is hun deel, want natuurlijk is de wachttijd alvorens een technicus reddende engel komt spelen, nu een stuk langer dan normaal. 

Eigen schuld, dikke bult.
Op het werk mag ik dat uiteraard niet zeggen tegen de klanten, de bazen zouden mij nogal zien komen. Maar op mijn weblog ben ik eigen baas en daar zeg ik lekker wat ik wil, puh!

Radio Kachtemstraat

Op weg naar Marleen en Frank reed ik gisteren door Roeselare, de stad waar mijn moeder haar jeugd doorbracht en waarmee ik, door het wonderlijke spel van erfelijkheid en menselijke genen, voor eeuwig verbonden zal zijn. We reden door de Mandellaan toen mijn tante Magdalena plots opmerkte: “Kijk, hier is de Kachtemstraat waar ik vroeger woonde en waar jullie kwamen logeren toen jullie nog kleintjes waren!”

Ik wil hier terzijde even opmerken dat mijn tante inderdaad officieel Magdalena heet, hoewel iedereen haar Madeleine noemt. Al 26 jaar vind ik het een mooie speling van het lot dat het juist op de MS Magdalena was, het zendschip van Radio Mi Amigo, dat ik mijn eerste radiostapjes zette op 13 juli 1979.

Maar soit. De Kachtemstraat dus. Toen mijn ouders er met mijn broertje, mijn zusje en mezelf logeerden, was het nog meer een weg dan een straat. Mijn tante en mijn oom woonden in een huis helemaal op het eind van die weg, samen met mijn nichtje Marleen en mijn neefje Johan. Het huis is al een aantal jaar verdwenen, het heeft plaats gemaakt voor een hele industriezone. Maar toen, heel heel lang geleden (ik moet een jaar of tien geweest zijn, schat ik) stond het huis er wèl nog, samen met het huis van de buren. En het was daar, in dat huis van de buren in de Kachtemstraat, dat mijn fascinatie voor radio geboren werd. Tenminste, mijn interesse voor het technische aspect dan. Mijn belangstelling voor de vormgeving van het medium ontstond uiteraard later, in de tijd van Radio LuxemburgRadio NoordzeeCaroline en tenslotte Mi Amigo.

Naast mijn oom en tante woonde Dolf, een vriendelijke maar toch beetje vreemde man. In de dagen dat ik als jonge snotter in de Kachtemstraat logeerde, leerde ik Léon kennen, de zoon van Dolf. Léon was nog niet lang terug uit Afrika. Geen idee wat hij in Afrika had gedaan, maar hij was toen in elk geval thuis en op een dag mocht ik mee naar zijn zolder waar een joekel van een kortegolfzender stond waarmee Léon contact hield met vrienden of kennissen die in Afrika waren achtergebleven. Of met zijn vrouw, weet ik veel. Op het dak stond een indrukwekkende antenne en daar kon ik minutenlang ademloos naar kijken. Maar het echte moment van fascinatie kwam toen hij mij een demonstratie met die zender gaf. Tjonge, mijn jongenshart bonkte in mijn keel toen ik stemmen uit dat ding hoorde komen, stemmen van mensen die op datzelfde ogenblik in Afrika zaten. Ik mocht van Léon zelfs iets zeggen in de microfoon tegen zo’n Afrikaan. Toen sloeg het virus van de ether voor het eerst meedogenloos toe bij mij, en het is nooit meer weggeweest.

Daar dacht ik gisteren aan, toen ik door de Mandellaan in Roeselare reed, op weg naar het schitterende huis van Marleen en Frank, waar we een paar fijne uurtjes doorbrachten aan de rand van het zwembad, met op de achtergrond de muziek van Extra Gold. Behalve het feit dat ik ontdekte dat het aangenaam is om een paar uur te luisteren naar die muziek (wat mij door Frank werd bevestigd), leerde ik er ook het woord boot-chauffeur kennen, een soort van zelf bedacht Roeselaars voor schipper

Ja, de Kachtemstraat en Dolf en Léon. Dolf is er al lang niet meer, Léon zit misschien al terug in Afrika, wie zal het zeggen? Maar het immense mysterie van de ethergolven die zich over ongekende afstanden en onzichtbaar voortplanten door de lucht, het zal mij altijd in zijn greep houden.

De naam Kachtem is een verbastering van de Frankische naam “Cackingeheim” en werd voor het eerst vermeld in 1116. Samengesteld Cack-inge-heim is opgedeeld in Cack waarvan de betekenis onbekend is, Inge betekent afstammelingen en heim betekent woonplaats.

(Wikipedia)

Digitaal voor allemaal

Mijn coördinaten op dit ogenblik zijn: mijn tuin, onder de parasol. Het weekend is weer veel te snel voorbij aan ’t zoeven. Voor ik het weet, zal het maandag zijn en dan heb ik een hele dag training. Klantentevredenheid, geloof ik. Rollenspelletjes doen en zo. Ja, daar ben ik heel goed in en ik kijk er naar uit. Zei hij ironisch. Ach ja, dat gaat ook voorbij. Ik moet mijn eigen levensmotto niet vergeten in dergelijke omstandigheden, nietwaar.

Vrijdag heb ik op het werk een demonstratie gekregen van wat het nieuwe digitale televisie-tijdperk ons gaat brengen vanaf 3 september. ’t Ziet er allemachtig lekker uit, eerlijk gezegd. De ontwikkeling ervan was de laatste maanden het best bewaarde bedrijfsgeheim van de afgelopen jaren. Ergens aan het begin van het volgende decennium zullen, geheel volgens Europese richtlijnen, de laatste analoge TV-uitzendingen het loodje leggen en wordt het echt digitaal voor allemaal. De evolutie valt niet te stoppen, en waarom zouden we? ’t Kan er alleen maar beter op worden. Uiteindelijk zullen ook alle analoge radio-uitzendingen stoppen en zal ook dàt medium geheel digitaal tot ons komen.

En nu, mijn waarde vrienden, ga ik mijn laptopje aan de kant zetten, mijn schoenen aandoen, de barbecue in gereedheid brengen, de tafel schoonmaken en mijn taak als man opnemen. Het vlees dient gebraden te worden en de drank geserveerd

En morgen, als de zondag al half voorbij is, ga ik naar West-Vlaanderen om mijn moeder op te halen, die op vakantie is bij haar zus in het Roeselaarse. Ik zal dan onderweg eens luisteren naar Extra Gold want die zijn sinds kort eindelijk echt goed te ontvangen in de hele provincie, heb ik me laten vertellen.

We gaan ook zwemmen in het privé-zwembad van mijn nichtje Marleen en haar man Frank. Jaja, mijn familie van bachten de Kuppe doet het verre van slecht!

Witte muren en blauwe deuren

Witte Villa, begin 21ste eeuw

Ik had het eergisteren toch over de omheining rond de Witte Villa, hé?
Die omheining stond er niet van in het begin, hoor. Je moet je proberen voor te stellen hoe we in Asse beland waren. Het eerste anderhalf jaar van zijn bestaan zond Maeva uit vanop een appartement in Ukkel. Dat zuig ik niet uit m’n duim, ’t staat in de radiogeschiedenisboeken. Nadat we in januari 1982 voor de eerste keer in beslag werden genomen, een aantal keer teruggekomen en steeds opnieuw opgepakt, besloot de BOB tenslotte het appartement te verzegelen. Dat fantaseer ik niet, ik heb de zegels nog steeds. Zelf van de deur getrokken. Zou dat na 23 jaar nog strafbaar zijn?

Soit, we waren onze vaste stek in Ukkel dus kwijt en we moesten op zoek naar iets anders. Er brak een tijd aan van op de dool zijn, van hier en daar uitzenden uit allerlei noodstudio’s, van betogingen en demonstraties, dagelijks tientallen lezersbrieven in de kranten en patati en patata. ’t Was spannend en avontuurlijk en de luisteraars waren vastgeklonken aan de radio en elke keer als onze tune plots op de radio klonk, verwachtte de Maevafan te horen dat we opnieuw uit de lucht moesten. Ik herinner me dat ik op een dag als practical joke midden in Wekkerwacht een plaat onderbrak en de tune startte, een paar minuten wachtte en toen doodleuk zei: “Dit is Radio Maeva op 103.5. Luisteraars, blij dat u er bij bent“. De telefoon ging even later en Patrick Valain liet weten dat hij bijna bezweken was aan een hartaanval. Gelukkig had Patrick een redelijk gevoel voor humor, haha.

Arie van Loon, 1983

Maar: zo kon het natuurlijk niet eeuwig blijven doorgaan.
We zaten uit te zenden vanuit de garage van Noël Dhondt toen we van Valain te horen kregen dat Maeva een definitieve nieuwe uitzendlocatie had gevonden. Ergens in Asse, op het hoogste punt van Vlaanderen blijkbaar, hadden ze een leegstaand huis gevonden waar we zouden gaan wonen. ’t Moest enkel nog een klein beetje opgeknapt worden, zei onze grote roerganger. Jaja. Het bleek net geen krot te zijn, maar de muren stonden nog recht gelukkig. Op een paar weken tijd knapten we het huis inderdaad op, met veel hulp van onder meer Achiel en Denise. Toen de muren tenslotte mooi wit waren geverfd en de deuren hemelsblauw, was het een behoorlijk bewoonbaar gebouw waar Arie, Marc en ik konden gaan wonen. Een paar slaapkamers, een badkamertje, een keuken en een woonkamer, meer moest dat niet zijn voor drie avontuurlijke jongens in de fleur van hun leven. Nog een studio ook natuurlijk, en een plekje in de woonkamer (onder de tv) waar we dikke Bertha konden zetten. Een joekel van een zender, ongeveer zo groot als een bescheiden koelkast.

Witte Villa, 1983

Op de radio crëerden we een heel ander beeld. Daar klonk het alsof Maeva een hele trits studio’s had. We spraken over de nieuwsstudio, terwijl we het nieuws lazen vanop een stoeltje in de enige uitzendstudio. De produktiestudio’s waar we het vaak over hadden? Tja, die hadden we wel, maar dan verspreid over Vlaanderen bij elke disc-jockey thuis. Kortom, ’t was een fantasiewereld, maar daar was niks verkeerd mee. ’t Was niet de bedoeling dat de luisteraar bij ons kon binnenkijken. Op een dag heb ik, tegen alle principes in, een buitenstaander meegenomen naar de Villa. Mijn leraar van de rijschool ontdekte tijdens één van onze autoritten wie ik was, viel daarvan steil achterover (ja, de tijd dat mensen steil achterover vielen als ze mijn naam hoorden, is ècht wel voorbij nu) en bood me onmiddellijk aan om me wat gratis extra lessen te geven, op voorwaarde dat ik hem eens mee zou nemen naar DE Witte Villa. ’t Werd voor hem een ware teleurstelling toen hij merkte dat Vlaanderens populairste radio ocharme één studio had, en nog een vrij kleine ook. Maar die gratis rijlessen had ik in elk geval op zak.

Patrick Valain besefte dat je Maeva niet zomaar midden in Asse kon neerpoten zonder maatregelen te treffen tegen nieuwsgierige luisteraars en dus kregen we na een tijd… jawel: een omheining. Van een afstand gezien, leek de Villa vanaf dan een beetje een concentratiekamp, en zo werd het ook her en der omschreven. Maar ’t was zeker niet zo dat wijzelf opgesloten waren of zo, ben je gek! Het gaf het station wel weer een apart imago, het had opnieuw iets ongenaakbaars.

De Villa staat er nog steeds. Een jaar of pakweg vijf geleden ben ik er nog ’s naartoe gereden, samen met Arie van Loon. Herinneringen ophalen, eens kijken naar een stukje verleden, je kent dat wel. Het is nu ècht een mooi huis geworden met normale bewoners en zo. ’t Schijnen zelfs Maeva-fans te zijn die dus in een soort van relikwie wonen. We wilden nog aanbellen en vragen of we eens binnen rond mochten kijken, maar we deden het tenslotte maar niet. Jammer, nu kunnen we het niet meer doen, Arie en ik, want Arie leeft niet meer. Spijt komt altijd te laat, vrienden.

Radio in de vitrine

Ik zie hem nog altijd zitten, elke vrijdag op zijn knieën. Met zo’n speciaal kuisprodukt en een stapel oorstokjes zat hij de koppen van elke taperecorder grondig schoon te maken. In de studio stond een rack met zes of acht van die dingen en daar kwam de non-stopmuziek vandaan die ’s nachts op antenne ging. We hadden toen nog geen DSC en Marc Hermans zorgde er persoonlijk voor dat die afspeelapparatuur goed blèèf klinken. Hij was programmaleider en mede-eigenaar van het station en tevens een soort van radiolegende uit de jaren tachtig, maar de Marc vond zichzelf niet te goed om als een fijne huisvader te zorgen voor de apparaten en het geluid.
Soms dacht ik bij mezelf dat het een beetje overdreven was, maar ik liet hem rustig doen. Hij liet mij ook doen met de computers en het bescheiden netwerkje. Elkaar aanvullen, heet dat.

Zoals beloofd, kreeg ik van Marc vanmorgen twee CD’s boordevol jingles van Kick FM en daarvan heb ik er al enkele op mijn podcast gezet. Op die manier krijg je een idee. Het klonk niet slecht, hoor.

De kijkstudio in het Lantaarnpad was een idee van onze vertegenwoordiger. Ik moet het hem nageven, het was een idee van goud. Dagelijks passeerden ontelbare potentiële luisteraars voorbij onze deur, waaronder enkele honderden schoolkinderen. Plus daarbij, zowat elke dag vormde zich daar een file want de straat kwam uit op de Grote Markt. Drùk, jongens! Maar veel van die passerende Herentalsenaren kwamen wel nieuwsgierig voor het raam staan kijken. Tegenwoordig is een kijkstudio geen uitzondering meer, maar toen was het toch een soort van attractie. En een commercieel succes natuurlijk, want de luistercijfers werden op die manier ook een beetje kijkcijfers.

Ik deed meestal het ochtendprogramma, en na tien jaar mag ik het wel bekennen: heel vaak hield ik de overgordijnen gewoon lekker dicht, dan zat ik daar niet als een aap op een stok. ’t Zou moeten lukken dat Marc na al die tijd nog boos zou worden daarvoor. 

Tja, stel je voor dat we zo’n studio bij Maeva hadden gehad. Dat de Witte Villa niet achter een omheining had gestaan, maar midden in het centrum van Asse, met de studio in een vitrine. ’t Zou wat geweest zijn. Nee, in de gloriejaren van dàt station was ik maar wat blij met die omheining. Radio is radio en geen kijkkast, heb ik altijd gevonden. Radio moet een beroep doen op de fantasie en moet visualiteit scheppen in de verbeelding van de luisteraar. Het toppunt van radio waren toch nog altijd de zeezenders. De stemmen die je hoorde op die stations, je kon daar niet echt een gezicht op plakken, tenzij het gezicht dat je zelf in je hoofd vormde.

Kick FM in de jaren negentig van de vorige eeuw. We slaagden er hoe dan ook wonderwel in te schipperen tussen radio en commercie, tussen zoet en zuur, tussen plezier en money. Tot we natuurlijk uiteindelijk in de klauwen van de gewiekste zakenmannen terechtkwamen voor wie radio niet meer was dan een machine waar je weinig instak en veel centen uithaalde. Alleen waren die centen niet voor ons.